Johannes
16 & 17





Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij niet geërgerd wordt.
Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, de ure komt, dat een iegelijk,
die u zal doden, zal menen God een dienst te doen.
En deze dingen zullen
zij u doen, omdat zij den Vader niet gekend hebben, noch Mij.
Maar
deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer de ure zal gekomen
zijn, gij dezelve moogt gedenken, dat Ik ze u gezegd heb; doch deze
dingen heb Ik u van het begin niet gezegd, omdat Ik bij ulieden was.

En nu ga Ik heen tot Dengene, die Mij gezonden heeft, en niemand
van u vraagt Mij: Waar gaat Gij henen? Maar omdat Ik deze dingen tot
u gesproken heb, zo heeft de droefheid uw hart vervuld. Doch Ik zeg u de
waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de
Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden.
En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid,
en van oordeel: Van zonde, omdat zij in Mij niet geloven; En van gerechtigheid,
omdat Ik tot Mijn Vader heenga, en gij zult Mij niet meer zien; En van oordeel,
omdat de overste dezer wereld geoordeeld is. Nog vele dingen heb Ik u te
zeggen, doch gij kunt die nu niet dragen. Maar wanneer Die zal gekomen
zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want
Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij
spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen. Die zal Mij verheerlijken;
want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen. Al wat de Vader heeft,
is Mijn; daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u verkondigen.

Een kleinen tijd, en gij zult Mij niet zien; en wederom een kleinen tijd, en gij zult
Mij zien, want Ik ga heen tot den Vader. Sommigen dan uit Zijn discipelen zeiden
tot elkander: Wat is dit, dat Hij tot ons zegt: Een kleinen tijd, en gij zult Mij niet zien;
en wederom een kleinen tijd, en gij zult Mij zien; en: Want Ik ga heen tot den Vader?
Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Een kleinen tijd? Wij weten niet, wat Hij zegt.
Jezus dan bekende, dat zij Hem wilden vragen, en zeide tot hen: Vraagt gij daarvan onder
elkander, dat Ik gezegd heb: Een kleinen tijd, en gij zult Mij niet zien, en wederom een
kleinen tijd, en gij zult Mij zien? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat gij zult schreien,
en klagelijk wenen, maar de wereld zal zich verblijden; en gij zult bedroefd zijn,
maar uw droefheid zal tot blijdschap worden. Een vrouw, wanneer zij baart, heeft
droefheid, dewijl haar ure gekomen is; maar wanneer zij het kindeken gebaard heeft,
zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mens ter wereld
geboren is. En gij dan hebt nu wel droefheid; maar Ik zal u wederom zien, en uw hart
zal zich verblijden, en niemand zal uw blijdschap van u wegnemen. En in dien dag zult
gij Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: Al wat gij den Vader zult bidden
in Mijn Naam, dat zal Hij u geven. Tot nog toe hebt gij niet gebeden in Mijn Naam;
bidt, en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij. Deze dingen heb Ik door
gelijkenissen tot u gesproken; maar de ure komt, dat Ik niet meer door gelijkenissen
tot u spreken zal, maar u vrijuit van den Vader zal verkondigen. In dien dag zult
gij in Mijn Naam bidden; en Ik zeg u niet, dat Ik den Vader voor u bidden zal;
Want de Vader Zelf heeft u lief, dewijl gij Mij liefgehad hebt, en hebt geloofd,
dat Ik van God ben uitgegaan. Ik ben van den Vader uitgegaan, en ben in de
wereld gekomen; wederom verlaat Ik de wereld, en ga heen tot den Vader.

Zijn discipelen zeiden tot Hem: Zie, nu spreekt Gij vrijuit, en zegt geen gelijkenis.
Nu weten wij, dat Gij alle dingen weet, en Gij hebt niet van node, dat U iemand
vrage. Hierom geloven wij, dat Gij van God uitgegaan zijt. Jezus antwoordde hun:
Gelooft gij nu? Ziet, de ure komt, en is nu gekomen, dat gij zult verstrooid worden,
een iegelijk naar het zijne, en gij Mij alleen zult laten; en nochtans ben Ik niet alleen;
want de Vader is met Mij. Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in
Mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar
hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.


Dit heeft Jezus gesproken, en Hij hief Zijn ogen op naar den hemel, en zeide:
Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke.
Gelijkerwijs Gij Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat Gij Hem gegeven
hebt, Hij hun het eeuwige leven geve. En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den
enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt. Ik heb U verheerlijkt
op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen; En nu
verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de
wereld was. Ik heb Uw Naam geopenbaard den mensen, die Gij Mij uit de wereld
gegeven hebt. Zij waren Uw, en Gij hebt Mij dezelve gegeven; en zij hebben Uw woord
bewaard. Nu hebben zij bekend, dat alles, wat Gij Mij gegeven hebt, van U is. Want de
woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen,
en zij hebben waarlijk bekend, dat Ik van U uitgegaan ben, en hebben geloofd, dat
Gij Mij gezonden hebt. Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor
degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uw. En al het Mijne is Uw,
en het Uwe is Mijn; en Ik ben in hen verheerlijkt.

En Ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en Ik
kome tot U, Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam, die Gij Mij gegeven
hebt, opdat zij een zijn, gelijk als Wij. Toen Ik met hen in de wereld was,
bewaarde Ik ze in Uw Naam. Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en
niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift
vervuld worde. Maar nu kom Ik tot U, en spreek dit in de wereld, opdat zij Mijn
blijdschap vervuld mogen hebben in zichzelven. Ik heb hun Uw woord gegeven; en
de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld
niet ben. Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van
den boze. Zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs Ik van de wereld niet ben. Heilig ze
in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid. Gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt in de
wereld, alzo heb Ik hen ook in de wereld gezonden. En Ik heilige Mijzelven voor hen,
opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. En Ik bid niet alleen voor dezen, maar
ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen. Opdat zij allen een zijn,
gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons een zijn; opdat de wereld
gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij
gegeven hebt; opdat zij een zijn, gelijk als Wij Een zijn; Ik in hen, en Gij in Mij; opdat
zij volmaakt zijn in een, en opdat de wereld bekenne, dat Gij Mij gezonden hebt,
en hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt. Vader, Ik wil, dat waar Ik ben,
ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen
aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, voor de
grondlegging der wereld. Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend;
maar Ik heb U gekend, en dezen hebben bekend, dat Gij Mij gezonden
hebt. En Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt, en zal Hem bekend maken;
opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in hen.


Amen






Terug